|
Jan Versluys, onderwijzer, wiskundige, didacticus en pedagoog, heeft aan
het eind van de negentiende eeuw grote invloed gehad op het reken- en
het wiskundeonderwijs in Nederland.
VERSLUYS, Jan, wiskundige en didacticus (Oostburg (Zeeuws Vlaanderen), 1
februari 1845 - Sankt Moritz (Zwitserland), 15 januari 1920). Zoon van
Willem Versluijs en Elizabeth van Aelst. Gehuwd met Jacoba Maria
Catharina Offers (geboren 8 november 1848, Rotterdam). Uit dit huwelijk
werden drie zoons geboren, onder wie de wiskundige W.A. Versluys
(1870-1946).
Jan Versluys behaalde in 1864 de akte voor hoofdonderwijzer aan de
Rijkskweekschool te Haarlem. Tijdens zijn loopbaan bij het lager onderwijs slaagde hij op 21-jarige
leeftijd voor de middelbare akte wiskunde K-I. Twee jaar later behaalde hij
het K-V diploma. Van 1866 tot 1878 was hij leraar wiskunde aan de Rijks HBS
te Groningen en van 1881 tot 1910 leraar wiskunde aan de Rijks
Normaalschool voor Tekenleraren in Amsterdam. Versluys bekleedde vele
bestuurlijke functies, waaronder voorzitter van het Wiskundig
Genootschap en van de Nederlandse Vereniging voor Paedagogiek. Hij was
lid van de Commissie van Middelbare Akten en vele andere
onderwijscommissies. Hij was de eerste hoofdredacteur van Het
Schoolblad en later Het Nieuwe Schoolblad.
De betekenis van Jan Versluys ligt vooral in zijn bijdragen aan het
onderwijs, in het bijzonder het reken- en het wiskundeonderwijs. In 1874
publiceerde hij zijn Methoden bij het onderwijs in de wiskunde en bij
de wetenschappelijke behandeling van dat vak. Dit werk wordt wel
beschouwd als het eerste vakdidactische boek voor wiskunde in Nederland.
Het kernpunt was dat het onderwijs zoveel mogelijk een 'zelf-vindend'
(heuristisch) karakter moet hebben, maar wel onder deskundige leiding
van de docent. Daarnaast werden zijn geschriften gekenmerkt door bondige
stijl, helder taalgebruik en mathematische correctheid. Nieuw voor die
tijd was dat zijn methoden voor het rekenonderwijs voorzien waren van
handleidingen. Hij pleitte voor een aanschouwelijke inleiding, beperking
van de leerstof en een inzichtelijke boven een mechanistische
leermethode. Toepasbaarheid vond hij belangrijk, zonder het formele
aspect van de wiskunde uit het oog te verliezen.
Versluys schreef tientallen boeken voor het rekenonderwijs, voor het
middelbare wiskundeonderwijs en voor de aktenstudie wiskunde. Sommige
daarvan hebben tot na 1945 dienst gedaan. Daarnaast publiceerde hij
uitgaven voor het taal- en het tekenonderwijs, pedagogiek en
psychologie, in totaal zo'n honderdtal titels. Ook schreef hij als
eerste in Nederland een geschiedenis van de wiskunde, alsmede een
geschiedenis van het onderwijs. Wetenschappelijke bijdragen aan de
wiskunde zijn opgenomen in het Archief van het Wiskundig Genootschap en
Grunerts Archiv der Mathematik und Physik. Bij prijsvragen van het
Wiskundig Genootschap werd hij vijfmaal bekroond.
Hij vertaalde het werk van John Stuart Mill en Herbert Spencer. De
ideeën van deze filosofen zijn terug te vinden in zijn sociale,
politieke en culturele opvattingen. Als oprecht liberaal bracht hij deze
opvattingen ook in woord en daad tot uiting.
Literatuur I. Schreuder (1922-'23). Jan Versluys en zijn levenswerk
(1845-1920). Uitgever onbekend.
Wansink, Joh. W. (1976). 1874-1974. 'Een herinnering aan het werk van
Jan Versluys', Euclides 51 (6), pp. 230-236.
Moor, E. de (1994). 'Jan Versluys en het ontstaan van de vakdidactiek',
Nieuwe Wiskrant 14 (1), pp. 8-13.
Smid, H.J. (2006). 'Het dubbele programma van Jan Versluys',
Euclides 82 (2), pp. 42-45.
Nieuw Archief voor Wiskunde, derde serie, XXVI, p. 206.
Links
Publicaties Beginselen der nieuwere meetkunde. Groningen: J.B. Wolters (1868).
Methoden bij het onderwijs in de wiskunde en bij de wetenschappelijke
behandeling van dat vak. Groningen: P. Noordhoff (1874).
Proeve van een Nieuwere Levensbeschouwing. Amsterdam: W. Versluys
(1884).
Een en ander over Multatuli. Amsterdam: W. Versluys (1889).
Beknopte Geschiedenis der Wiskunde. Amsterdam: A. Versluys (1902).
Archief
Auteur: Ed de Moor
Laatst gewijzigd: september 2008
| |